
Als kind sprak ik snel en dat vond ik niet leuk. Ik werd ermee gepest. Door de jaren heeft mijn hoge spreektempo zich ontwikkeld tot een hoog levenstempo waar ik intussen erg tevreden mee ben.
Nadat ik de Pedagogische Akademie had doorlopen - ja, dat schreven we toen met een -k en zo staat het ook op mijn diploma dus daar houd ik me aan - was er in het onderwijs geen baan te vinden. Ik kwam in de Tax Freeshop, Schiphol, terecht waar ik een tomeloze belangstelling ontwikkelde voor volksaard, het gevoel voor humor van de verschillende volkeren, de vormen die hoffelijkheid kan aannemen enzovoort. In mijn vrije tijd studeerde ik filosofie, kan ik iedereen aanbevelen, en gaf les aan Marokkaanse vrouwen. Ik leerde hen Nederlands, zij mij dat we misschien wel enig inzicht hebben in hun
maatschappelijke positie maar nauwelijks in henzelf. Het was behalve een leerzame voor beide partijen een dolkomische tijd. Pas in de tweede helft van de jaren tachtig trok de arbeidsmarkt aan. Ik sprong in het gat en startte een carrière als leraar, remedial teacher en intern begeleider die vele gelukkige jaren zou duren.
Sinds 1999 leef ik van mijn pen. Ik schrijf studieboeken voor het mbo en werkte onder andere mee aan een fundamentele vernieuwing van het speciaal onderwijs. Daarnaast heb ik korte verhalen en kinderboeken gepubliceerd. Maar de laatste jaren zit ik tot over mijn oren in de poëzie. In november 2010 debuteerde ik met De genade van een krimpende geest, een prachtig vormgegeven, door mezelf in het Fries vertaalde, tweetalige bundel die zeer positief is ontvangen. In 2011 verscheen Kaap de Goede Hoop. Opnieuw een juweeltje al zeg ik het zelf. Voor mij als rationeel wezen is het fascinerende aan poëzie dat de helderste analyses en de meest spitsvondige redeneringen hulpeloos aan de kant staan.
Je moet een laagje dieper.